
klik om een oordeel te geven!
In een aflevering van de klassieke satirische strip
Bloom County van de Amerikaanse cartoonist Berkely
Breathed worden de Verenigde Staten overvallen door agressieve aliens, die grote verwoestingen aanrichten. De VS slaan keihard terug door een onderzoekscommissie te benoemen, waarvoor ook de leider van de aliens dient te verschijnen. Een groot probleem dient zich aan, als die leider niet een of andere slijmerige, insectachtig wezen blijkt te zijn maar oogt als een lieve puppy. ‘
O my God’, verzucht de voorzitter van de commissie. ‘
he is telegenic’. De stemming van de media en de publieke opinie slaan om: dit lief hondje kan toch nooit een dader zijn? De commissie ziet zich genoodzaakt de aliens van alle blaam te zuiveren. Ze mogen zelfs de reeds gekidnapte dochters houden, ter handelswaar voor de
‘intergalactic slavemarket’.
‘
O mijn God, hij is telegeniek’… een verzuchting die de laatste weken wel vaker moet zijn geslagen door bewindslieden van het CDA. Eén blik op Mauro, en je weet dat je in de media al met 1-0 achter staat – daar helpt ook een uitnodiging bij P&W voor een voetbalwedstrijd niets meer aan. Politiek is voor een groot gedeelte imago, beeldvorming. Hoewel een merendeel van de Nederlanders een meedogenloos vreemdelingenbeleid voorstaat, vindt ook een meerderheid dat Mauro moet blijven. Terwijl de situatie van Mauro precies het gevolg is van dat beleid. Logisch is dat niet, maar imago heeft vaak weinig van doen met logica.
In de klassieker
The Society of the Spectacle (1967) beschrijft Guy Debord de ontwikkeling van de moderne samenleving tot op het punt waar het dagelijkse, sociale leven is vervangen door een representatie: het beeld. Het beeld – en niet de dagelijkse praktijk – bepaalt de relaties, wat wij als goed of fout beschouwen, wat wij van waarde achten, et cetera. In hoeverre dat beeld nog overeenkomt met die dagelijkse praktijk, is niet relevant: in de spektakelsamenleving bepaalt het beeld het debat, de betekenis van woorden, hoe er wordt gesproken, de posities die worden ingenomen. Bij Mauro zie je dat heel goed: zijn beeltenis bepaalt en vernauwt tegelijkertijd dat debat. Het lot van Mauro is in feite de toetssteen geworden van het vreemdelingenbeleid. In het theater draait slechts één voorstelling. Zorgvuldig geregisseerd door de moderne klerikale klasse, de hogepriesters van de media.
Daarin schuilt ook het gevaar; het geval van Mauro zou een moment kunnen zijn om nog eens goed na te denken over dat beleid. Om ons niet slechts op het beeld te richten, maar op de dagelijkse praktijk. Hoe kan het dat een beleid in de praktijk zo’n ontwrichtende werking kan hebben op gezinnen? Is dat wel wat we beogen, waar we voor willen staan? Maar gaan dergelijke vragen worden gesteld, of menen we dat we weer rustig kunnen slapen als Mauro is gered, we ‘ons hart’ hebben laten spreken? Als, kortom, de voorstelling weer is afgelopen?
Dat is niets ten nadele van Mauro. Het juist het tragische van de situatie: een oplossing voor hem, dekt juist het lot van anderen toe. Het verhaal kent immers een happy end, het doek valt. Het cynische gevolg is, dat in een spektakelsamenleving alleen nog door een spektakel – een beeld – een onrecht kan worden aangetoond. Maar dat is bijna altijd het onrecht van één, liefst aaibaar, persoon. Met een roerend, helder en liefst wat clichématig verhaal: liefdevol pleeggezin, lief voor zijn broertje, voetbalclub. En dan de boze minster die dat allemaal wil verstoren. Structurele vragen over het beleid verdwijnen naar de achtergrond. Dat is toch maar gezeur. Het lot van Mauro, daar gaat het om. (Terzijde: voor dit moment. Een studievisum is immers slechts een noodverband – maar de camera’s zijn dan allang gestopt met draaien.)
De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben schetst in
The Coming Community (1993) het probleem van de spektakelsamenleving. In het kort: het ontneemt aan het dagelijkse leven haar stem. Haar vermogen om te articuleren, om te spreken over zorgen, over verdriet, over onrecht. Er is een boedelscheiding tussen het dagelijkse leven en het beeld. Niet langer dienen beelden ter illustratie of onthulling, maar het beeld bepaalt wat wordt gezegd en wat niet. De volgende stap is dat het beeld in feite niets meer te zeggen heeft, behalve tamelijk obligate of clichématige verhalen. Toch moeten we ons ten stelligste afvragen of met een oplossing voor Mauro de dagelijkse zorgen van AMA’s beter worden gehoord.
Nu is terechte tegenwerping bij dit alles: maar we hebben toch een rechtsstaat? De zaak-Mauro is toch getoetst door rechters, en de Raad van State? Wat heeft media en beeldvorming daarmee van doen?
We weten inmiddels dat de rechtbank van Amsterdam in een eerder stadium heeft geoordeeld dat Mauro met zijn pleegfamilie een gezinsverband vormde, en dat het recht op gezinsleven van toepassing was, zoals is vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). We weten ook dat Leers hierop hoger beroep aantekende, en de zaak naar de Raad van State bracht. Waarom? Waarom niet op dat moment asiel verlenen? Juridisch was er geen enkele noodzaak. Volkskrant-columnist Pieter Hilhorst stelt terecht dat het meest ontluisterende aan de rechtsgang rond Mauro is, dat de minister nota bene mensenrechten beschouwt als een obstakel van ons asielbeleid. Waarom? Volgens Hilhorst omdat Leers werkelijk is gaan geloven in het door Wilders opgeroepen schrikbeeld van de massa-immigratie. Daarmee slaat hij de spijker op zijn kop. Leers is in de ban van het beeld; van het spektakel. Het doet er niet toe of het in de praktijk klopt. het beeld bepaalt de handelingen van Leers.
In een dergelijk klimaat hebben AMA’s maar één kans: hun aaibaarheidsfactor.