
klik om een oordeel te geven!
Dat je in de trein op zaterdagavond weinig rust hoeft te verwachten – nee, ook niet in de stiltecoupé – is me welbekend. Is niet altijd leuk, maar heb ik mee leren leven. Maar de vijf mannen die instapten in Den Bosch – zestigers, spijkerbroek, streepjesbloes, stevig aangeschoten – maakten het wel erg bont. Met halve liters Heineken in de hand schreeuwden ze naar elkaar, op een volume dat ook in de dorpen die we onderweg passeerden te horen moest zijn.
Eén jongen, een metalfan in een leren jas, sprak ze erop aan. Beleefd. ‘Heren, en beetje gezelligheid mag, maar dit is geen kroeg. Dus alsjeblieft iets rustiger.’ Eén man schreeuwde terug dat-ie mocht doen wat hij wil. Het was immers geen eerste klas.
De laatste jaren is veel geschreven over verruwing, korte lontjes et cetera. Een oorzaak, hoor je vaak, is de hyperindividualisering. We laten ons daardoor steeds minder aan anderen gelegen liggen. ‘Ik doe wat ik wil’- ook al gaat dat ten koste van anderen. Het ‘dikke-ik’ noemt filosoof Harry Kunneman deze vorm van egoïsme. Een aanvullende analyse luidt dat we de openbare ruimte als onze huiskamer zijn gaan zien, wat in de praktijk betekent dat met zo’n aangeschoten zestiger werkelijk geen gesprek te voeren valt. Die metalfan spreekt hem aan op publiek fatsoen, maar die man weet niet waar hij het over heeft. Hij is toch thuis? Het publieke is privaat geworden, heet dat dan.
Hoewel ‘dikke-ik’ en ‘huiskamer’ aardige manieren zijn om het treintafereeltje te beschrijven, voldeed dat voor mij niet. Hier speelde iets anders, iets duisterder nog. De man die vond dat hij mocht doen wat hij wilde, zweepte een medebroeder op om een muziekje van André Rieu op zijn Iphone zo hard als mogelijk te zetten. ‘Harder, harder’, riep hij maar uit. Wat die man, type meeloper, prompt deed.
Dit was geen egoïst. Een egoïst laat zich niets gelegen liggen aan anderen; hij eist totale persoonlijke vrijheid. Maar deze man was juist wél bezig met de reactie van anderen. Hij wilde niet dat de muziek harder werd gezet, omdat hij nu eenmaal volop van Rieu wilde genieten. Nee, hij wilde daarmee de andere mensen in die coupé willens en wetens sarren. De coupé was ook allerminst zijn huiskamer, waar hij zoiets overigens waarschijnlijk nooit doet. Misschien was hij thuis zelfs een rustige man. Nee, de coupé was eerder een theater; deze man had een publiek nodig, en mensen die slachtoffers konden zijn.
De filosoof Tvzetan Todorov zei ooit in Filosofie Magazine dat een mens een door en door empathisch wezen is, maar onverdeeld optimistisch daarover was hij allerminst. Natuurlijk, empathie - het vermogen je te verplaatsten in anderen - kan leiden tot menslievendheid, maar ook tot uitgebreide kennis hoe een ander optimaal te martelen. Ik denk dat filosofen als Plato, Machiavelli of Hannah Arendt, of wetenschappers uiteenlopend van Sigmund Freud tot René Girard en Richard Sennett, precies dit de meest verontrustende eigenschap van de mens vinden. Niet zijn egoïsme of zijn materialisme, maar zijn vermogen zich in anderen te verplaatsen en al het slechts dat daar uit voort kan komen. Hulpvaardigheid en sadisme heeft, ondanks dat ze elkaars tegenovergestelde zijn, dezelfde wortel, namelijk die van de empathie.
Het is vooral zo verontrustend, omdat argumenten tekort schieten. Die metaljongen kon zeggen wat hij wil, maar daar ging het hier niet om (wat overigens niet betekent dat hij het maar beter had kunnen laten – in tegendeel). Nooit zouden redelijke argumenten die zestiger ervan hebben kunnen overtuigen zijn handelingen te staken - zelfs niet indien hij heel goed besefte dat hij een morele grens overschreed. Want dat laatste, daar
ging het hem net om: hij wilde mensen sarren.
De ook politiek prangende vraag luidt: hoe stoppen we een dergelijke sadist, als argumenten geen kracht meer hebben?