
klik om een oordeel te geven!
Hoe weten we of onze uitspraken over de werkelijkheid ook daadwerkelijk waar zijn?
Een curieuze discussie bij Pauw&Witteman tussen de Tilburgse wetenschapsfilosoof Herman de Regt – tevens oud-columnist van Filosofie Magazine – en het paranormaal medium Liesbeth van Dijk, doet deze eeuwige vraag weer eens rijzen. Maar het programma riep ook een andere vraag op: hoe stellig moet je zijn in het verdedigen van die claims?
In een notendop: In het SBS-programma 'Paranormale Kinderen' begeleidt Van Dijk kinderen die een ‘gave’ zouden hebben. Deze kinderen kunnen nergens terecht, zo zegt ze, zijn vaak buitengesloten en hebben hulp nodig om met hun gave om te gaan. Daartegenover stelt De Regt in ondermeer Trouw, NRC Handelsblad (Met collega Hans Dooremalen), en nu dus P&W dat dit gevaarlijk is. Hoewel er niks mis mee is, dat jonge kinderen ‘magisch denken’ – ze geloven bijvoorbeeld in Sinterklaas – neemt dat doorgaans zo rond hun 11e jaar af. Zo niet, zo blijkt uit onderzoek, dan kan dat wijzen op een aanleg voor psychoses. Een versterkende factor hier kan een jeugdtrauma zijn . In het programma figureert ondermeer een meisje wier vriendinnetje is vermoord door haar eigen moeder.
Twee werelden tegenover elkaar, met de bijhorende waarheidsclaims: de ene zegt paranormaal begaafd te zijn, deze gave bij kinderen herkent, en dat ze deze kinderen kan begeleiden, de ander zegt dat dit gevaarlijk is. Eerste punt van discussie is dus: wie heeft hier gelijk?
Op twitter las ik het argument dat een dergelijke claim sowieso niet kan worden gemaakt. Immers: we hebben hier te maken met het zogeheten inductieprobleem. Dat wil zeggen: we
kunnen nooit zeker zijn dat (algemene) uitspraken over de werkelijkheid ook waar zijn, omdat het aantal keren dat we die uitspraak door waarneming ook daadwerkelijk kunnen checken, noodzakelijk eindig is. En morgen kan het anders zijn. We kunnen daarom nooit helemaal uitsluiten dat er zich eens een geval voordoet dat onze uitspraak onderuit haalt. Dus als De Regt een algemene claim maakt dat er is niet zoiets is als paranormaliteit, dan kan hij dit nooit voldoende onderbouwen. Immers: misschien vormen Van Dijk en deze kinderen nu juist de uitzonderingen, die je gisteren nog niet voor mogelijk hield.
Een belangrijk argument, en eentje die thuishoort in de geschiedenis van de wetenschapsfilosofie. Grote namen die hier bij horen zijn ondermeer David Hume en Karl Popper. Het zorgvuldig acht slaan op het inductieprobleem is dan ook van belang, als we een waarheidsclaim maken. Uitspraken waarin lichtzinnig wordt omgesprongen met - zoals dat heet - de mogelijkheid van falsificatie, moeten we wantrouwen. Maar zegt De Regt dat paranormaliteit niet bestaat? Dat ligt subtieler. Zijn primaire houding is die van een agnost: hij zegt dat op basis van de kennis waarover we nu beschikken, er nog nooit een afdoende bewijs is geweest voor paranormaliteit. Er zijn daarentegen wél aanwijzingen dat als kinderen in hun gave worden bevestigd, in plaats van hen professioneel te begeleiden, schadelijk kan zijn. Kortom: de bal ligt niet bij hém, maar bij Van Dijk. Zij is immers diegene de in eerste instantie de claim maakt – wel drie zelfs: ik heb een gave, ik zie dat deze kinderen een gave hebben, en ik kan hen daarin begeleiden. Daar schuilt meteen een probleem, want Van Dijk is er zich niet eens van bewust (en dan definieer ik het ter goeder trouw) dat haar paranormale gaven, het ontdekken van die gaven bij kinderen, én ze begeleiden ueberhaupt claims zijn. Het ‘is gewoon zo’. Maar waarom? Het is niets nieuws dat mensen kunnen lijden aan waanideeën, die weliswaar heel ‘echt’ kunnen lijken maar dat absoluut niet zijn. Van Dijk ontkent dat overigens ook niet. Ze zegt zelfs dat er in de paranormale wereld charlatans zijn – maar zij is dat niet. Hoezo? Hoe weet ze dat zo zeker? Hoe kunnen
wij zeker weten dat ze - al dan niet opzettelijk - niet de waarheid vertelt? Het probleem is dus dat Van Dijk zich sowieso niets aantrekt van het inductieprobleem. Sterker nog: er is niet eens sprake van inductie, ofwel: het formuleren van een algemene regel, gebaseerd op afzonderlijke waarnemingen.
Laat haar komen met zo'n algemene regel op basis waarvan we een schifting kunnen maken tussen ‘betrouwbaar’ of een ‘charlatan’. Een algemene regel die uiteraard zélf ook kan worden getoetst. Het enige dat we hebben, is ofwel het door psychologisch onderzoek onderbouwde inzichten in beïnvloeding (ondermeer door ‘hot reading’ of ‘cold reading’), maar daar is bij mijn weten geen enkele medium goed van af gekomen, ofwel het subjectieve ‘gevoel’ van mediums als Van Dijk. En zelfs als er zo’n toets zou bestaan, en Van Dijk zou die doorstaan, dan hebben we nog steeds niks omhanden op grond waarvan we kunnen aannemen dat ze ook een goede begeleider is van kinderen (want die claim is ook niet onbelangrijk – moreel gezien zelfs het meest problematisch). Haar argument is dat ze ‘uit eigen ervaring weet hoe het is’ om als kind paranormaal te zijn. Ik weet ook uit eigen jeugdervaring wel het een en ander, maar mijn God, behoed me voor de pretentie dat ik daarmee kinderen zou kunnen begeleiden.
Nu het tweede punt: hoe stellig moet je zijn in het verdedigen van die claims? Dit is een interessant probleem: wil De Regt zich houden aan de idee dat elke uitspraak over de werkelijkheid tot op zekere hoogte voorlopig is, dan zou hij altijd terughoudend moeten blijven. Dan zou het altijd zijn: ‘op basis van de kennis die we nu hebben…’, ‘op gronden van wat we nu weten…’ Mij valt altijd op hoe vaak De Regt en zijn collega Dooremalen (beide auiteurs van Wat een onzin! – waarin ze de strijd aanbinden met paranormaliteit) hierop worden aangevallen. Ze zouden arrogant zijn. De openheid, waarvan ze claimen dat een wetenschappelijke houding die hoort te hebben, zouden ze zélf niet praktiseren. Ze hebben last van ‘tunnelvisie’- er is immers zo veel meer dat de wetenschap ‘niet kan bewijzen’, maar wel van waarde is.
Maar nogmaals: in dit geval ligt de bal bij Van Dijk. De stelligheid van De Regt betreft in eerste instantie niet dat paranormaliteit onzin is – neen, het punt is dat Van Dijk op geen enkele manier haar handelen kritisch evalueert. We komen hier onvermijdelijk bij het punt waar kenleer een ethische dimensie krijgt. Zeker als het gaat om kinderen, en gezien het feit dat onderzoek laat zien dat kinderen schade kunnen oplopen (nog los van de vraag of het kies is om kinderen op deze manier te exposeren), dan is die kritische houding essentieel. Daar mag – nee, moet – je fel op zijn.
Laat haar – en SBS – op zijn minst kennis nemen van het onderzoek waaruit blijkt dat oudere kinderen die zeggen over een ‘gave’ te beschikken, mogelijk een aanleg voor psychose hebben. Dat is toch wel de allerminste blijk van niet alleen een gezonde zelftwijfel, alsook een minimale morele betrokkenheid.
Maar daarmee zijn we er uiteraard niet. Het valt niet te ontkennen dat De Regt a priori wantrouwend is naar mediums, en zijn agnostische stellingen met enige regelmaat verlaat. Ik denk echter, dar er momenten zijn waarop dit moet - en ook kan. Het wantrouwen van De Regt is geen persoonlijk ‘gevoel’, maar geworteld in een wetenschappelijke, academische traditie. Een traditie waarin een methode is opgebouwd – van ‘dubbelblind’ onderzoek tot ‘cruciale experimenten’ – waarin zo veel als mogelijk zaken als toeval, persoonlijk voordeel of macht, vooringenomenheid, vergissingen, dwalingen, etc. zijn uitgesloten. Het past weliswaar in deze tijd om elke institutie die het persoonlijke ‘gevoel’ of de ‘eigen mening’ overstijgt, tot arrogant, elitair en narrow minded te bestempelen (zie ook de politiek, of de rechterlijke macht). En het valt ook niet mee ze te verdedigen in een tv-format als P&W. Er zijn echter alle redenen om aan te nemen dat die instituties, juist omdat ze de kennis van eeuwen met zich meedragen en zo boven het persoonlijke uitstijgen, terwijl ze tegelijkertijd gegrond blijven in een praktijk en de mogelijkheid van toetsing, onze
best shot zijn in het vormgeven van deze samenleving. Dat sluit niet uit dat die instituties (of vertegenwoordigers ervan) zich kunnen vergissen, of zelfs corrupt kunnen raken – maar juist dan moeten we ze confronteren met waarvoor ze zouden moeten staan; de geest van de instituties. En dat is heel wat anders dan kritiek uiten op basis van een persoonlijk ‘gevoel’, als ze jou op je merites ondervragen. Vertegenwoordigers van die instituties mogen eens wat flinker van zich afmeppen. Ze hebben ten slotte heel wat te verdedigen.
Met dank aan: Robin Hansen student RU wijsbegeerte (@sirlian), voor het mij opzadelen met het inductieprobleem ;) .