Benedictus XVI en Nietzsche

dinsdag 14 februari 2006De eerste encycliek van Benedictus XVI is een rehabilitatie van de lichamelijke liefde. Daarbij verwijst de paus onder andere naar Nietzsche en  Descartes.

 

De verdediging van de 'lichamelijke liefde' is een opvallend begin van het pontificaat van de nieuwe paus; hij stond bekend als de graalhoeder van het zuivere, premoderne christendom. In zijn encycliek (Deus caritas est, God is liefde) geeft de paus toe dat de kerk vaak 'lichaamsvijandig' is, maar dat de indruk niet juist is dat de kerk een fundamenteel tegenstander zou zijn van die liefde. Benedictus: 'Het christendom - meende Friedrich Nietzsche - heeft Eros de gifbeker te drinken gegeven; de liefde is er niet aan gestorven, maar is ontaard in een zonde. Daarmee drukt de Duitse filosoof een breed gedeeld gevoel uit: bederft de kerk met haar geboden en verboden niet het mooiste in het leven?'

Benedictus betoogt nu dat de geestelijke liefde, die de kerk wel altijd heeft verdedigd, het zelfs niet kan stellen zonder de lichamelijke, gepassioneerde liefde. 'Als de mens allen geest wil zijn en het lichaam als een dierlijke rest wil afdoen, dan verliezen geest en lichaam hun waarde. En als hij de geest verloochend en zo de materie, het lichaam, als enige werkelijkheid aanziet, verliest hij weer zijn grote.' Ware liefde bestaat dus, kortom, in de eenheid van lichaam en geest. Erudiet voegt hij daar nog een verwijzing naar Descartes aan toe, nog steeds een van de iconen van de gedachte dat de mens in de eerste plaats geest is. 'De epicurist Gassendi sprak Descartes schertsen aan met "O geest". En Descartes antwoordde met: "O lichaam".'

 Florentijn van Rootselaar

Gerelateerde artikelen




Login

Zoek