Multiculturele burgeroorlog. Debat tussen Jaffe Vink, Hans Achterhuis, Roger van Boxtel, Machiel Karskens, Mohamed Rabbae, Herman Philipse e.a.

woensdag 7 februari 2001Foto:Sijmen_HendriksIn Brief aan mijn dochter stelt Trouw-redacteur Jaffe Vink dat er een burgeroorlog gaande is tussen autochtonen en allochten. Hans Achterhuis, Roger van Boxtel, Machiel Karkens, Mohamed Rabbae, Herman Philipse, Yücel Yesilgöz en anderen reageerden


'Loop nou niet weg! Dat is flauw...'
Publiek debat over cultuur en geweld


Jaffe Vinks Brief aan mijn dochter was inzet van een debat in filosofiecafé Hofmans Vertellingen in Utrecht. Filosoof Hans Achterhuis en criminoloog Yücel Yesilgöz plaatsten vraagtekens bij Vinks gesignaleerde 'moleculaire burgeroorlog'.

DOOR ROSAN HOLLAK

'Zeg, ik ben een Marokkaan en afgelopen week werd ik aangevallen door drie Nederlanders! Het kan dus ook andersom!' Het debat over geweld in de multiculturele samenleving afgelopen 5 februari in filosofisch café Hofmans Vertellingen te Utrecht begon meteen pittig. Terwijl Trouw-redacteur Jaffe Vink, auteur van Brief aan mijn dochter, filosoof Hans Achterhuis en criminoloog Yücel Yesilgöz nog maar net het podium hebben bestegen, stuift er een jongen naar de publieksmicrofoon en wrijft Vink onder de neus dat het geweld dat onze samenleving teistert, niet alleen de schuld is van de allochtonen.
'Maar', sputtert Vink verontwaardigd tegen, 'ik zeg niet dat alleen allochtonen crimineel zijn. Ik beweer ook het omgekeerde. Loop nou niet weg! Dat is flauw... Blijf staan!' De jongen is ondertussen al richting deur gewandeld maar keert terug: 'Jij hebt makkelijk praten, jij hebt een das om!' tettert hij door de microfoon. 'Nee', zegt Vink op geagiteerde toon, 'dat is een vlinderstrik. Maar ga nou niet weg.' De jongen vertrekt toch.

Conducteurs
Inzet van de discussie is het zojuist verschenen boek Brief aan mijn dochter. Hierin constateert Vink dat het geweld binnen de westerse samenleving in de afgelopen twintig jaar is toegenomen. Op straat heerst een 'moleculaire burgeroorlog' - een begrip dat hij ontleent aan Hans Magnus Enzensberger. Deze Duitse essayist stelt dat burgeroorlogen niet alleen woeden in Afrika maar allang zijn doorgedrongen tot de grote steden van het Westen: 'We maken onszelf wat wijs als we denken dat er vrede heerst, alleen omdat we nog steeds ons brood kunnen kopen zonder door sluipschutters te worden neergeschoten,' aldus Enzensberger. Geweld en verloedering op straat nemen geleidelijk aan toe en dat is deels te wijten aan de komst van buitenlanders: met name de etnische minderheden blijken relatief vaak bij de criminaliteit betrokken. Dit is volgens Vink slechts ten dele ter herleiden tot hun sociaal-economische positie en hun leefomgeving. Ook hun cultuur is een belangrijke factor. En dat moest maar eens gezegd worden. Om zijn stellingen kracht bij te zetten, zwaait Vink vanaf het podium met de Volkskrant van die ochtend. De voorpagina kopt: 'Bendes terroriseren NS'ers op Schiphollijn'. Het artikel meldt dat georganiseerde dievenbendes van 'vooral Marokkaanse jongeren' conducteurs bedreigen en reizigers bestelen in de treinen van Amsterdam naar Schiphol. De nieuwsfeiten staven de persoonlijke ervaringen van Vink. Maar is het waar dat allochtonen naar verhouding meer gewelddelicten, vernielingen en diefstallen plegen? En dat niemand het hoge woord eruit durft te gooien? Dat burgemeester Wallage van Groningen een jaar lang een rapport over de hoge criminaliteit onder asielzoekers uit de handen van de media hield is in elk geval opvallend. Volgens Vink moet er maar eens een einde komen aan de idylle van de multiculturele samenleving. Nederlanders moeten hun 'hemeltergend cultuurrelativisme' aan de kant schuiven.

'Ik heb zo mijn bedenkingen bij die Enzensberger. De goede man bedenkt iedere paar jaar een nieuwe metafoor'


Foto:Sijmen_HendriksDe zaal zit vol. Na het vertrek van de eerste boze allochtoon zitten de deelnemers nog wat onwennig op het podium. Criminoloog Yesilgöz, die ondertussen zijn pijp heeft opgestoken, krijgt op verzoek van gespreksleider Daan Roovers, hoofdredacteur van Filosofie Magazine, als eerste het woord: 'Het boek van meneer Vink vertelt helemaal niets nieuws. Iedereen weet dat er meer criminaliteit plaatsvindt onder allochtonen en asielzoekers, zelfs de lezers van de Volkskrant! Vink beweert dat criminologen hier geen onderzoeken naar durven te doen, maar al zijn bevindingen zijn gebaseerd op criminologische studies.'
Hans Achterhuis, hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Twente, kan het waarderen dat Vink een poging heeft ondernomen om de toenemende geweldsproblematiek van de afgelopen jaren te analyseren. Maar van de term 'moleculaire burgeroorlog' moet hij niet veel hebben: 'Het is een ongelukkige metafoor en misschien wel heel verleidelijk om te gebruiken. Maar als je gaat suggereren dat er geen verschil is tussen de moordpartijen in Sierra Leone en de taxioorlog in Amsterdam, dan bedrijf je geen politiek meer. Geweldsverhoudingen kan je niet verklaren met behulp van een metafoor. Ik ga ervan uit dat in de westerse samenleving de meeste problemen nog met behulp van argumenten kunnen worden oplost. En zo niet, dan moeten we dat in elk geval wel proberen.' Achterhuis schuift nog wat dichter op de microfoon en vervolgt: 'Ik heb zo mijn bedenkingen bij die Enzensberger. De goede man bedenkt iedere paar jaar een nieuwe metafoor. In de jaren zeventig kwam hij met de theorie dat het kapitalisme gelijk staat aan fascisme. Hij heeft letterlijk gezegd dat men in de Verenigde Staten bezig was met het bouwen van concentratiekampen. Voor hem bestond er geen verschil tussen het Amerika van die tijd of Hitler-Duitsland.'

Rifgebergte
Roovers besluit door te dringen tot de kern van de zaak. Hoe crimineel zijn die allochtonen dan? En hoe kun je weten of cultuur daarin een rol speelt?
Vink verwijst naar een proefschrift van de antropoloog Frank van Gemert dat in 1998 verscheen. 'Gemert deed onderzoek naar het verband tussen criminaliteit en de Marokkaanse cultuur. Veel Marokkaanse gastarbeiders in Nederland zijn afkomstig uit het Rifgebergte. Die cultuur karakteriseert Gemert als wantrouwig en zeer gewelddadig. Dat gedrag wordt doorgegeven aan de eerste generatie Marokkaanse gastarbeiders en aan hun zonen. Die cultuur is zeer hardnekkig.'
Terwijl Vink de bevindingen van het proefschrift aan het publiek voorlegt, trekt Yesilgöz bedenkelijk aan zijn snor: 'U kan niet met een enkel argument een sociaal probleem verklaren. Wat zijn de oorzaken van crimineel gedrag? Veel immigranten nemen hun culturele achtergrond mee naar Nederland. Soms zijn mensen die in het Rifgebergte achterblijven moderner dan de immigranten die hier naartoe komen. De laatsten leven volgens de normen en waarden van dertig jaar geleden. Ik vind dat we moeten kijken welke nieuwe soorten van criminaliteit worden meegenomen. Niet welke cultuur meer of minder geweldadig is.'

Na deze opmerking neemt de discussie een nieuwe wending. De vraag hoe het criminele gedrag van allochtonen door hun culturele achtergrond wordt bepaald, blijft daarmee onvoldoende beantwoord. Immers, zoals Roovers terecht opmerkt, wat blijft er van cultuur over als je alle het probeert los te weken uit alle sociale aspecten?
Hoe de overheid moet ingrijpen in de conflicten die ontstaan tussen verschillende culturen blijft deze avond een onaangeroerde kwestie. Jammer, want juist op die discussie zitten we in Nederland te wachten. En uit de reactie van minister van Boxtel, nota bene van Grote Steden- en Integratiebeleid, in nummer 2 van Filosofie Magazine (jaargang 2001) blijkt dat ook hij zich achter de oren krabt, wanneer de integratie van de verschillende culturen in ons land tot stand moet worden gebracht. Hij stelt dat de overheid zal pogen daar naar 'beste weten wat aan te doen.' Tja, dat zijn de woorden van een politicus.
Bij de afronding van de discussie grijpt een laatste spreker uit het publiek naar de zaalmicrofoon en vraagt of er wel een onderscheid tussen cultuur en sociaal-economische achtergrond valt aan te brengen. Hij beschuldigt Vink van kleinburgerlijk racisme. Een opmerking die de Trouw-redacteur niet over zijn kant laat gaan. Het woord ras heeft hij nooit in de mond genomen. De avond loopt met een sisser af en de enige overgebleven Marokkaanse allochtoon krijgt een gratis en gesigneerd exemplaar van Een brief aan mijn dochter mee naar huis.

TERUG NAAR HET BEGIN




Blind van Barmhartigheid


Foto:Sijmen_Hendriks
Wie af en toe gezellig boodschappen gaat doen op de Amsterdamse Albert Cuyp, denkt: wat een leuk buurtje is dit toch met al die cafétjes en winkeltjes. Maar de schijn bedriegt, volgens Trouw-redacteur Jaffe Vink. In Brief aan mijn dochter, dat binnenkort verschijnt, beschrijft hij de moleculaire burgeroorlog in onze cultuur. Allochtonen zouden 'maling aan ons hebben'. Hoofdstuk 5 van Brief aan mijn dochter van Jaffe Vink.

DOOR JAFFE VINK

Het eigenaardige van straatgeweld is dat je het meeste niet of nauwelijks merkt. Die kapotte ruit is de volgende dag weer vervangen, die uitgebrande auto is al weggesleept. Er wordt op straat geschoten, terwijl je net achter in de keuken bezig bent. De moleculaire burgeroorlog woedt, maar de uien moeten ook worden gesneden.
Als je om de hoek woont, merk je er nog minder van, en als je in een andere buurt woont, bijvoorbeeld in het intellectuelengetto Oud-Zuid, en je gaat gezellig boodschappen doen op de Albert Cuypmarkt, dan zie je enkele van die stoere negers in de weer met hun parkieten die in een kooi op het dak van hun Mustang zitten te zingen, en dan denk je: Wat een leuk buurtje is dit toch met al die verschillende mensen en cafeetjes en winkeltjes.
Het geweld went niet echt, maar wel een beetje. Het ergste is de sfeer op straat, die mengeling van verveling, geschreeuw en gepis, dat voortdurende gehang, de dreiging, de lamlendigheid die gewapend is met messen.
Hans Magnus Enzensberger – die in zijn essay de multiculturele samenleving niet tot thema maakt – geeft een voorbeeld van een dreigende situatie die zelden wordt beschreven en nooit onderzocht. Hij vertelt het verhaal van een treinreiziger. ‘Als ik ’s avonds laat in de trein stap, gebeurt het volgende. De coupé is tamelijk leeg en slecht verlicht. In een hoekje zit een oude man te slapen, aan de andere kant van de coupé zitten een paar aangeschoten mannen met elkaar te praten. De mensen naast mij zijn mogelijk twee kantoorbedienden die overgewerkt hebben. De trein stopt en er stappen vier kerels van een jaar of twintig in. De gebruikelijke leren jacks, de gebruikelijke laarzen. Ze zijn nogal luidruchtig en praten in een taal die ik niet versta, misschien Arabisch. Hun houding is uitdagend, ze bewegen zich door de coupé alsof ze op zoek zijn naar slachtoffers. Ze komen dichterbij, en meteen voel ik me bedreigd. Ze fixeren me. Ik verbeeld me dat er een overval in de lucht hangt. Dan lopen ze door en mijn blik valt op de gezichten van de andere passagiers: verbitterd, verwoed, van een merkwaardig verwrongen lelijkheid. De zinnen die ze uitstoten, ken ik maar al te goed. Zelfs de oude man is wakker geworden en mompelt iets over ophangen en neerknallen. Nu zijn het niet meer de vreemdelingen voor wie ik bang ben, maar mijn landgenoten.’
Klik_hier_voor_info_over_het_boekHet is een scène van enkele seconden. Niemand wordt een haar gekrenkt, en toch is dit de moleculaire burgeroorlog ten voeten uit.
De moleculaire burgeroorlog – dat is een ijsberg van incidenten. Het topje wordt gevormd door vechtpartijen, steekpartijen, schietpartijen. Onder de oppervlakte is de burgeroorlog aanwezig in elk molecuul, in die flits van enkele seconden, in die korte wandeling op een novemberavond, in het nagelvuil, in het stalen gezicht van Harmen Siezen, in de injectienaald, in de lamlendigheid, in het gepis, in de verkankering van het dagelijks leven.
Je vraagt je af of politici, wetenschappers en journalisten wel eens in zo’n coupé hebben gezeten. Er is de laatste decennia geen politiek, geen wetenschappelijk en geen journalistiek onderzoek gedaan naar de opinies van de mompelende oude man en er is weinig onderzoek gedaan naar het gedrag van de twintigjarigen die ‘praten in een taal die ik niet versta’.
In Duitsland worden de onbehaaglijke woorden van de oude man meteen verbonden met rechts-extremisme, in Nederland zijn het de ongewenste opinies van de borreltafel. Maar wie al jarenlang de woorden van de oude man niet meer hoort, die miskent de onrust.
De scène in de coupé doet denken aan die twee rapporten van de gemeente Amsterdam waarin geschat wordt dat een kwart van de Amsterdammers bus, tram en metro mijdt uit angst voor agressie. Het zijn de ouderen die niet durven en de – merendeels allochtone – jongeren die agressief zijn. Het is een schatting, er is niemand die het precies weet. Eén ding is wel zeker: er doemen onrustbarende verhalen op.
‘Onder de oppervlakte van het openbare leven drijft een zee van verhalen over de botsing van culturen, die niet of nauwelijks worden gehoord, ’ schrijft Paul Scheffer, maar hij vertelt ze niet.
De achttienjarige Samira El Messoui vertelt wel een van die verhalen, in de rubriek ‘Achterwerk’ van de vpro-gids. Ze reageert op een brief die eerder in de gids stond.
‘Hoi Esther, mijn ouders (mijn moeder is/was joods en Fries, mijn vader Marokkaans) zijn 23 jaar geleden getrouwd. Zolang ik mij kan herinneren, zijn er grote problemen geweest in onze familie. Mijn moeder is letterlijk en figuurlijk van verdriet gestorven, nu 2,5 jaar geleden. Toen mijn oma het aan mijn vader vertelde, zei hij: “Goed, weer een jood minder.”
Mijn jongere broertje is door mijn Marokkaanse neven heel lang crimineel en drugsdealer geweest. En als de politie weer eens langs was geweest, dan werd Said later beloond met van alles. Veel Marokkanen vinden criminele jongens geweldig, als je niet meedoet ben je “homo” (en dat is voor veel Marokkanen nog erger dan jood, vrouw of neger). Said is eigenlijk een heel lieve jongen en hij woont nu in een pleeggezin en ’t gaat heel goed.
Mijn vader woont sinds tien jaar met zijn ex-vrouw, die hij voor mijn moeder al had. Na mijn moeders dood bleek hij niet eens te zijn gescheiden in Marokko. Die vrouw woont nu hier, plus al hun kinderen en kleinkinderen. In het kader van ‘gezinshereniging’ zijn al die mensen (totaal nu 22 mensen) naar Nederland gekomen. Voor zover ik weet, hebben ze allemaal een uitkering.
Geloof me, Esther, ik heb echt wel eens een rotopmerking van Nederlanders naar m’n hoofd gekregen, maar zo afschuwelijk en vernederend als sommige Marokkanen discrimineren, dat kun jij je (gelukkig) niet voorstellen.’
Dit kan niet waar zijn, denk je, Samira El Messoui zal wel overdrijven. Ze heeft de helft verzonnen en de andere helft verdraaid. Maar de werkelijkheid tart soms de verbeelding. Als het waar is, dan signaleert deze brief een speciale mentaliteit. De joden komen er niet best vanaf, de positie van vrouwen en dochters is miserabel, negers komen zijdelings ter sprake en hoeven niet te rekenen op veel consideratie, maar nog erger dan deze drie zijn de homoseksuelen. Is er wel eens onderzoek gedaan naar de positie van homoseksuele leraren in het lager en middelbaar beroepsonderwijs?
Gelukkig is er ook nog een categorie die wel waardering krijgt: ‘Veel Marokkanen vinden criminele jongens geweldig.’ Hier biedt deze brief een tot nu toe wat onderbelicht perspectief op de integratie met behoud van de eigen cultuur.
Een ander voorbeeld van de botsing van culturen, maar dan van geheel andere aard, is afkomstig uit een artikel van Wubby Luyendijk in NRC Handelsblad. Je zult zien, mijn dochter, dat onze tocht door het pandemonium van seks en geweld soms langs onverwachte plekken voert. Tederheid zul je hier vergeefs zoeken. Beschouw het als een extra les in seksuele voorlichting, die je kan wapenen in de wirwar van deze tijd.
De politie van Delft heeft acht jongens van veertien tot zestien jaar opgepakt. Ze worden verdacht van diefstal met geweld en van afpersing. Vijf jongens worden ook verantwoordelijk gehouden voor het tienmaal verkrachten van twee meisjes van dertien en veertien jaar. De meisjes deden aangifte toen de jongens veilig achter slot en grendel zaten.
De jongens zijn van Somalische, Marokkaanse en Liberiaanse afkomst. Ze hebben de pee in dat ze vastzitten maar spijt hebben ze niet, vertelt een politiewoordvoerder. En van verkrachting willen ze niet spreken, want beide meisjes waren in hun ogen ‘niet zedig meer’. Deze jongens hebben een ander vrouwbeeld meegenomen uit hun land. Daar onthouden zedige vrouwen zich tot aan een huwelijk van zoenen en seks. Doet een vrouw dat niet, dan is ze van iedereen, aldus de politiewoordvoerder.
Jongens die in groepsverband meisjes verkrachten: er is weinig over bekend, cijfers zijn nauwelijks beschikbaar. Maar de deskundigen die Wubby Luyendijk sprak, hebben de stellige indruk dat het aantal zaken stijgt en dat de daders steeds jonger en gewelddadiger worden. Het zijn hechte groepjes, vaak van allochtone afkomst. Geïnspireerd door pornoboekjes, videofilms en 06-lijnen gaan ze een meisje pakken, in een groezelige kelderbox, in het zwembad of in een afgelegen buurt, maar veel vaker bij een jongen thuis, want meestal is ze een bekende. Onder het mom van een feestje of een middag computeren wordt ze binnengelokt, dan gaat de deur op slot en wordt een pornofilm opgezet. Ze binden of houden haar vast en gaan er achter elkaar overheen. Degene die het meisje geregeld heeft het eerst, de jongste het laatst. Een meisje ploegen, noemen ze dat. Voor de kick, zonder enige remming, om hun maten te tonen dat ze de baas zijn, macht hebben. Ze begrijpen niet dat meisjes het – in tegenstelling tot een pornoster – vaak niet leuk vinden om op deze manier besprongen te worden. Ze zijn amper voorgelicht. In hun wereld leven twee soorten vrouwen: echte meisjes en geile meisjes, met wie seks mag, onder alle omstandigheden, of ze nu willen of niet.
De jongens willen best vastzitten voor een roofoverval, zeggen ze tegen de kinderrechter, maar de cel in voor een keertje neuken met een meisje? Dan roepen ze: ‘Wat maak je me nou? Is dat strafbaar? Ze vroeg er zelf om, ze vertelde schuine grappen, droeg een kort rokje en haar benen waren bloot. Ik was niet verliefd. Het was geen net meisje, mijnheer, begrijpt u wel?’
Onder de oppervlakte van het openbare leven drijft een zee van verhalen over de botsing van culturen, die niet of nauwelijks worden gehoord. Hoe lang heerst al deze atmosfeer van ziende blind en horende doof, die zo nu en dan wordt opgeschrikt door het gemompel van ophangen en neerknallen?
Op een gegeven moment – het was in de tijd dat hij nog niet mompelde – constateerde de oude man dat er in zijn buurt steeds meer mensen kwamen wonen die ‘praten in een taal die ik niet versta’. Als hij er iets van zei, was hij een racist. Toen hij zich langzamerhand een vreemdeling in zijn eigen wijk begon te voelen, mocht hij dat niet voelen. Eigen wijk? Nee, deze wijk is de glorie van de multiculturele samenleving.
Over deze kolossale verandering mocht nooit worden gepraat. Het gebeurde niet in alle wijken, het gebeurde in sommige wijken en iedereen wist precies welke wijken dat waren. Opeens waren er wijken waar de meerderheid van de bevolking allochtoon was. Opeens waren er zwarte scholen. Wat is het moment waarop autochtone ouders kiezen voor een school verderop? Wat is het moment waarop de mompelende oude man zijn buurt verkettert? Waar ligt het breekpunt?
Volgens een voorspelling van het Sociaal en Cultureel Planbureau zal in 2015 in de vier grote steden – Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht – ongeveer de helft van de bewoners allochtoon zijn. Mijn dochter, hebben jullie het er in de les maatschappijleer wel eens over gehad wat dat betekent? Jij bent dan drieëndertig jaar. Kun je je er een voorstelling van maken hoe Amsterdam dan zal zijn? Hoe zal het verder gaan met de integratie?
De discussie over ‘het multiculturele drama’ van Paul Scheffer ging over de gebrekkige integratie van allochtonen en spitste zich toe op de vraag hoe we deze integratie kunnen verbeteren. De toon van de discussie werd bepaald door een Hollands mengsel van solidariteit en naastenliefde: we willen de nieuwkomers niet uitsluiten maar insluiten. Maar de vraag die schuilgaat achter het debat over de integratie van allochtonen is: Hoeveel immigratie willen we?
In een artikel dat de politicologe Margo Trappenburg had gepubliceerd in een uithoek van een wetenschappelijk tijdschrift maar dat ze niet in de krant durfde publiceren, gaat ze op zoek naar criteria voor een rechtvaardig immigratiebeleid. Volgens Trappenburg kan een democratische samenleving maar een beperkt aantal immigranten aan. Een te groot aantal immigranten tast onze instituties aan, zoals school, buurt, gezondheidszorg, inburgeringscursus, woningbouwvereniging, bijstand, arbeidsmarkt. De opnamecapaciteit van deze instituties stelt een grens aan het aantal immigranten. Deze grens wordt bereikt wanneer de komst van een groot aantal immigranten het karakter van onze instituties beslissend verandert. Daar ligt het breekpunt. Als een van de voorbeelden neemt ze de basisschool. De normale gang van zaken is dat de onderwijzers de kinderen eerst leren lezen, schrijven en rekenen. Het is geen probleem als er enkele kinderen van immigranten op school komen, die de taal niet kennen; die leren ze spelenderwijs van de andere kinderen. Het wordt anders als er een groot aantal kinderen van immigranten op school komt. Al gauw zijn er niet genoeg autochtone kinderen van wie zij de taal kunnen leren. De onderwijzers zijn dan genoodzaakt het leerplan te wijzigen; ze moeten de kinderen eerst Nederlands leren, voordat ze hun iets anders kunnen onderwijzen. Het gewone lesprogramma is aangetast. Dan is het breekpunt bereikt.
Trappenburg wijst erop dat empirisch onderzoek meer duidelijkheid zou kunnen verschaffen over de vraag wanneer het karakter van onze instituties verandert. Wanneer gaan ouders zich zorgen maken over het aantal immigranten? Wanneer sturen ouders hun kinderen naar een school in een andere buurt? Wanneer verhuizen ze naar een andere buurt?
Dat empirisch onderzoek is er niet. Het is nooit onderzocht. En over deze veranderingen is geen democratisch debat geweest. Er was op het beslissende moment geen debat in de gemeenteraden en geen debat in de Tweede Kamer. Er is nooit en te nimmer een debat geweest over de vraag: Hoeveel immigratie kan een school aan? Er is nooit en te nimmer een debat geweest over de vraag: Hoeveel immigratie kan een buurt aan? Er is nooit en te nimmer een debat geweest over de vraag: Hoeveel immigratie kan een land aan?
Waar dat in de praktijk van een school toe kan leiden, beschrijft een docente aan het College de Meer in Amsterdam, nadat zij in Het Parool een artikel las waarin haar directeur wordt geciteerd. ‘Ik geef les op die school en met verbazing las ik dat wij vanwege de ramadan dit jaar geen sinterklaasfeest vieren. De werkelijkheid is anders. Want was het dan niet zo dat dit feest vorig jaar zó gewelddadig verknald werd dat er besloten is het maar eens een jaartje over te slaan en ons te bezinnen op hoe nu verder? Het kerstfeest, waarvoor in samenwerking met de politie een draaiboek was opgesteld, was immers wel goed verlopen. Het kán dus wel, maar hoe?’
Dat was de praktijk op een school. We kunnen ook eens naar een buurt kijken. Wat is het verschil tussen zeventienduizend Duitsers in Amsterdam en drieduizend Antillianen in Dordrecht? Dat is misschien een mooie vraag voor een les maatschappijleer. Zoek er tien krantenartikelen bij van het afgelopen jaar.
Stel: je woont op Curaçao, waar het niet voorspoedig gaat. Veel werkloosheid, schooluitval, analfabetisme, verveling en zeer veel criminaliteit. Je wilt naar Nederland. Geld voor een ticket? Overal op het eiland kun je een gratis ticket krijgen voor Nederland, mits je een pakketje meeneemt of bolletjes slikt. Zo begint de exodus die eindigt in wijken als Oud-Krispijn in Dordrecht, de Falgabuurt in Den Helder of de Millinxbuurt in Rotterdam.
Deze drie wijken zijn probleemwijken, zoals dat heet. Oud-Krispijn is door de komst van de Antillianen veranderd in Klein Curaçao. De meeste bewoners van het Jozef Israëlsplein, in het centrum van de wijk, zijn al vertrokken vanwege het geweld en de drugsoverlast.
Uit recent onderzoek van de Leidse universiteit over de Rotterdamse Millinxbuurt blijkt dat Antillianen daar een monopoliepositie in de drugshandel hebben. Opsporing is moeilijk, omdat het gaat om een tamelijk gesloten gemeenschap. Een van de conclusies van het onderzoek is dat de grote instroom van Antillianen een belangrijke rol heeft gespeeld in de teloorgang van de Millinxbuurt.
De Rotterdamse burgemeester reisde de wereld rond en de Rotterdamse gemeenteraad vlooide zijn bonnetjes na, maar ze hadden allebei geen tijd om een debat te beginnen over de vraag: Hoeveel immigratie kan de Millinxbuurt aan?
In sommige gevallen eindigt de exodus uit Curaçao niet in een van de wijken van Den Helder, Dordrecht, Nijmegen, Groningen, Rotterdam, Amsterdam of Den Haag, maar al bij de marechaussee op Schiphol. Er is op Schiphol een speciaal toilet voor de bolletjesslikkers. Iemand heeft in de war on drugs bedacht dat het goed zou zijn om een bureau voor industriële vormgeving, of misschien was het wel ons onvolprezen instituut voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek, opdracht te geven een wc te ontwerpen waar bolletjesslikkers – als een variant van het gescheiden verzamelen van afval – hun waar kwijt kunnen.
Na dit toiletbezoek gaan deze Antillianen naar het huis van bewaring en daar krijgen ze een geweldige kans, zegt de gevangenisdirecteur. ‘We proberen hier stabiliteit in hun leven te brengen, vaste tijden van opstaan, ontbijten, werken. We hebben een alfabetiseringssysteem. Daar leren ze lezen, spellen en schrijven, in kleine groepjes. Er is hier een staf van 63 begeleiders. Voor wie er toe in staat is, zijn er computercursussen. Iedere gevangene kost Nederland nu honderdduizend gulden per jaar. Daarvan kun je toch een mooie opleiding op de Antillen betalen?’
Het woord bolletjesslikkerstoilet is nog niet opgenomen in Van Dale. Dat wordt in de volgende editie een drukke bedoening tussen ‘bollenteelt’ en ‘bollewangenhapsnoet’.
Opeens waren er zwarte scholen. Opeens waren er zwarte wijken. Maar opeens waren er ook zwarte gevangenissen. En dan komt de volgende vraag: Hoe zit het met de criminaliteit van allochtonen? Dat is allang een bitter gesprek aan de borreltafel en een voorzichtig gesprek op verjaardagen. Maar waar zijn de onderzoekers en waar de politici?
De resultaten van de schaarse onderzoeken die in de jaren zeventig werden gedaan naar de criminaliteit van allochtonen werden volgens wetenschappers te ongenuanceerd weergegeven in de media. Uit angst voor racisme deden ze geen verder onderzoek. Vanaf dat moment rustte er een taboe op het onderwerp.
Pas in 1989 kwam het volgende initiatief. De wetenschappers hielden zich nog altijd muisstil, maar het ministerie van Justitie wilde de abstracties en stereotypen vervangen door gegevens om zodoende zicht te krijgen op de omvang van de criminaliteit van allochtone groepen. Dat resulteerde in een onderzoek waarin werd aangetoond dat sommige allochtone groepen een onevenredig groot aandeel hadden in de criminaliteit. Er was echter nog een andere uitkomst van dit onderzoek: de criminaliteit van allochtonen werd meestal verklaard vanuit hun maatschappelijke achterstand, maar deze verklaring voldeed niet; het bleek dat hun criminaliteit slechts ten dele was te herleiden tot hun sociaal-economische positie en hun woonbuurt. Maar deze opmerkelijke conclusie verdween uit het zicht door onenigheid binnen de adviescommissie van het ministerie.
Na de bevindingen van de commissie-Van Traa in 1996 stuurden de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie in 1997 een nota naar de Tweede Kamer waarin de tot dusver meest accurate gegevens over de allochtone criminaliteit staan. Bijvoorbeeld: Antillianen zijn 6 keer zo crimineel als op grond van hun aandeel in de bevolking mag worden verwacht, Marokkanen zijn 4,7 keer zo crimineel. Deze nota markeert een omslag in het denken over criminaliteit: er wordt een verband gelegd tussen deze criminaliteit en de Antilliaanse en Marokkaanse cultuur. Daarmee krijgt de opmerkelijke conclusie van het rapport uit 1989 voor het eerst een nadere invulling. De maatschappelijke achterstand van deze minderheden voldoet niet als verklaring van hun criminaliteit, ook hun cultuur speelt hierin een belangrijke rol.
In 1998 verschenen twee proefschriften, een over Curaçaose jongens en een over Marokkaanse jongens, waarin dit verband tussen criminaliteit en cultuur wordt uitgewerkt. Maar de ministeriële nota en de proefschriften misten hun uitwerking. De consequenties van deze omslag in het denken over criminaliteit zijn in de verste verte niet doorgedrongen in het maatschappelijk debat: er heerst de schijn van openheid, de criminaliteit van allochtonen is nog altijd een beladen onderwerp, de dooddoener dat het de schuld is van de maatschappelijke omstandigheden komt steeds weer terug en de taboesfeer is gebleven.
Dit geheel van onderzoek en discussie is, naast deelonderzoeken, de magere oogst van dertig jaar. De filosoof Paul Cliteur hekelde de criminologie als een wetenschap van de verhulling. ‘Decennialang heeft men om politiek correct te blijven gegevens onder de pet gehouden. Die houding is een schande voor de wetenschap en het bewijst eens te meer, dat een onbevangen academisch debat niet plaatsvindt, omdat men zich in de gedachtevorming en meningsuiting laat bepalen door politieke taboes en ideologisch esprit de corps.’
Deze verstikkende atmosfeer heeft ervoor gezorgd dat veel mensen, om diverse redenen, niet durven vertellen wat ze weten en niet durven zeggen wat ze denken. Laat ik nog een paar voorbeelden noemen. Zoals een betrouwbare bron op een ministerie, die nadere cijfers weet over de criminaliteit van allochtonen en die sub rosa zegt dat die cijfers onthutsend zijn. Zoals de politicologe die haar ideeën over criteria voor een rechtvaardig immigratiebeleid niet in de krant wil publiceren. Waarom? Het is zo’n precair onderwerp, zegt ze, en ik wil ook niet zo in het openbaar. Weggehoond op een congres, altijd weer de joodse kwestie, ja maar er was ook bijval, zegt ze, er was beslist ook bijval. (Die joodse kwestie zou ik moeten uitleggen, mijn dochter, maar dat duurt duizend boeken; kort gezegd komt het erop neer dat we sinds de Tweede Wereldoorlog in elke vreemdeling een vluchtende jood zien en die visie verlamt elke andere gedachte.) Zoals een antropoloog die een artikel wilde schrijven over de Marokkanen in Rotterdam en die een week later zegt dat hij net is benaderd voor een nationale werkgroep over allochtonen en criminaliteit en dat hij daarom het komende jaar niets kan zeggen in het openbaar. Zoals een oprechte Volkskrant-journalist die zegt niet te willen vervallen ‘in een hypocriete vorm van berichtgeving waaraan ik me ook schuldig heb gemaakt’, maar die betwijfelt of Nederland al die informatie over de criminaliteit van allochtonen wel aankan en die bang is dat ‘over kwetsbare mensen wordt heengewalst’.
De atmosfeer is niet alleen verstikkend, maar ook bedreigend. Zoals in het geval van een onderzoeker die een boek heeft gepubliceerd over de criminaliteit van een allochtone minderheid en die van een bijeenkomst moest vluchten omdat enkele leden van deze minderheid hem wel even mores zouden leren en die daarna telefonisch met de dood werd bedreigd. Nee, hij wilde niet meer geïnterviewd worden, nee, hij had zich ziek gemeld bij een komend congres, nee, het mocht niet in de krant dat hij door deze groep met de dood werd bedreigd, nee, hij wilde liever even niets.
Dertig jaar – zo lang is het debat in de kiem gesmoord door een reeks van slogans, kreten, leugens en bezweringsformules, zo lang heerst al deze verstikkende atmosfeer er van onze dooddoeners en onze weekhartigheid – de parafernalia van onze wattige cultuur. Het is geen wonder dat de allochtonen soms geen eerbied voor ons hebben. Maar dat ze geen eerbied voor ons hebben – wij zien het niet; dat ze maling aan ons hebben – wij zien het niet; dat ze ons haten – wij zien het niet. We zijn blind van barmhartigheid.
Maar ik mag dat niet zo zeggen, mijn dochter. Ik mag niet generaliseren. Ik mag niet over wij en zij spreken. Ik mag niet iedereen over één kam scheren, zingt het koor van de Heilige Verontwaardiging. Generaliseren is verdacht. Ik hoor de trompetten al en het koor zwelt aan.
Toch hebben we de generalisatie nodig. Ik zal er iemand bijhalen, dan ben ik met zijn tweeën: de Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel, die in 1800 nog geen benul had van het bolletjesslikkerstoilet. Het was mijn eerste college over Hegel. De docent kwam binnen, een volbloed hegeliaan, liep naar het bord en schreef: ‘Het algemene’. ‘Als ik erin slaag jullie in de loop van het jaar het belang van dit begrip duidelijk te maken, dan ben ik tevreden.’ Sindsdien ben ik niet meer bang voor het algemene, al moet ik toegeven dat ik geen grote vriend van Georg ben geworden. Ik heb geleerd dat generaliseren een kunst is, een hachelijke kunst, maar we hebben het nodig om tot begrip te komen.
In het dagelijks leven generaliseren we er vrolijk op los, we praten in de gemeenteraad over de fietser in het algemeen en over de noodzaak van meer fietspaden, we hebben het over de boeren: ‘ze hebben te veel varkens’, we debatteren over hooligans en werkende moeders en filosofen, we zeggen van onszelf: ‘wij zijn een tolerant volkje’, we lezen in ons geschiedenisboek: op 10 mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen (hoewel niet álle Duitsers ons land binnenvielen), we maken grappen over de Belgen (Ken je die mop over die Belg, mijn dochter, die linksaf wil slaan?), maar zodra het over een onderwerp gaat, dat ‘gevoelig ligt’, dan is generaliseren verboden.
Ik mag niet zeggen dat ‘we’ blind zijn van barmhartigheid. ‘Ik ben geen wij,’ snibt een lid van het koor, niet beseffend dat het dezelfde smartlap zingt als de andere leden van het koor van de Heilige Verontwaardiging.
Ik mag niet zeggen dat ‘ze’ maling aan ons hebben, ik zou schoorvoetend moeten zeggen dat sommige allochtonen soms geen eerbied voor sommigen van ons hebben en dat sommigen heel soms misschien iets van haat in hun ogen hebben, hoewel velen van ons dat niet zien. Ik moet de krompraat van de goegemeente nawauwelen. En ik moet er meteen aan toevoegen dat er heel veel goede mensen zijn, die nooit een vlieg kwaad doen.
Maar er is haat. En wij zijn het niet gewend om gehaat te worden. We zijn het niet gewend om op straat bedreigd en beroofd te worden. We dachten dat het vrede was. Toen in de jaren zeventig de gastarbeiders met hun gezinnen zich in de Nederlandse samenleving begonnen te nestelen, ‘stelden zij met een door het boerenleven gevormde blik vast dat het hier goed toeven was. Het was hier groen, de koeien en schapen zagen er dik en weldoorvoed uit,’ schreef de cultureel antropoloog Hans Werdmölder. ‘Onze Nederlandse Spoorwegen beschouwden alle reizigers nog als één grote, gezellige en vooral oer-Hollandse familie: de familie Spoor.’ Maar enige tijd daarna – het is niet precies te zeggen wanneer dat was, omdat de moleculaire burgeroorlog niet is uitgeroepen en omdat de allochtonen op duizend-en-één manieren zijn gekomen – zaten ook de allochtonen ineens midden in dat pandemonium van zinloos geweld, drugstoerisme, voetbalsupporters, drankzucht, kinderporno en wapenhandel, van injectienaalden, kapotte bierflessen, kunstpenissen en pistolen: dat permanente feest van drugs, drank, seks & geweld. De allochtonen wisten niets van de moleculaire burgeroorlog. Hoe hadden ze het ook moeten weten – we wisten het zelf niet. Maar zonder voorkennis hebben ze hun weg gevonden in het pandemonium, met als wrang resultaat dat ze nu de meerderheid vormen in de gevangenis. We zijn blind van barmhartigheid.

TERUG NAAR HET BEGIN




'Bravoure en grove generalisaties'
Minister van Boxtel over de kloof tussen 'wij' en 'zij'


Trouw-redacteur Jaffe Vink signaleert in Brief aan mijn dochter een toenemende haat tussen autochtonen en allochtonen. Allochtonen zouden 'maling aan ons hebben'. In nummer 1 van Filosofie Magazine (jaargang 2001) reageerden Mohamed Rabbae en Machiel Karskens. In nummer 2 van 2001 is het woord aan Roger van Boxtel, minister van Grote Steden- en Integratiebeleid (zie zijn
site). Vink moppert 'met de bravoure van degene die de verkeerde jodenmop vertelt onder vermelding van "dat moet toch kunnen".'

DOOR ROGER VAN BOXTEL

'Wie zou bij het lezen van zoiets zijn tranen kunnen bedwingen', zou Vergilius gezegd hebben bij het lezen van de machteloze wanhoop van Jaffe Vink, die aan zijn dochter moet bekennen dat hij ook niet meer weet in wat voor wereld we tegenwoordig leven.
De angst slaat hem om het hart als vier grote gelaarsde arabieren door zijn treincoupé kuieren en hij vermoedt een complot van wetenschappers, politici en journalisten om de criminaliteit en het geweld door allochtonen te verzwijgen.
Het enige wat Vink nog kan doen is om - tegen de dwang van de politieke correctheid in - zich de spreekbuis te maken van de gewone man, die zich door de door hem niet begrepen vreemdelingen bedreigd voelt. En dat doet Vink met de bravoure van degene die de verkeerde jodenmop vertelt onder vermelding van 'dat moet toch kunnen'.
Vink leeft - zoals wij allemaal - in een wereld die zijn naoorlogse onschuld heeft verloren. Geweld, anomie, onvoorspelbaarheid, onduidelijkheid en de daarmee verbonden gevoelens van onveiligheid zijn kenmerken die zich opdringen aan hen die de overgang van de tijd na de oorlog naar het heden hebben meegemaakt. Het lijkt me evenwel weinig zinvol om die verwarring over te dragen aan de volgende generatie die heeft leren leven in een andere wereld, zeker wanneer het waargenomen verval monocausaal wordt toegeschreven aan de komst van al die buitenlanders. Wie in de jaren zeventig hoopte dat de verbeelding aan de macht zou komen en daar nu weinig van terug vindt, moet daar niet anderen de schuld van geven maar zichzelf. Bovendien hebben Reagan en Thatcher daar meer mee te maken dan die vier arabische jongens in de trein.

Evenwicht
De verwijten van Vink dat opiniemakers rampspoeden verzwijgen, zijn - zoals Mohammed Rabbae al schreef - ongegrond. In weinig landen is zoveel onderzoek gedaan naar alle aspecten van de aanwezigheid van allochtonen, inclusief de criminaliteit onder hen. De integratie van de nieuwkomers is niet probleemloos, maar het bestaan van het integratiebeleid is daarvan al de erkenning. Bovendien hebben we onlangs een zeer breed debat over multiculturaliteit en integratie gevoerd.
Wie dan nog badinerend schrijft dat wetenschappers, journalisten en politici zich kennelijk nooit in de treincoupés bevinden die het decor vormen voor het slagveld van de moleculaire burgeroorlog, laat zijn leven vergallen door de veronderstelling dat de allochtonen 'geen eerbied voor ons hebben' en 'wij zien het niet dat ze ons haten'.
Elke migratie veroorzaakt een verstoring van het evenwicht. Het door de overheid voorgestane integratiebeleid bedoelt niet het oude evenwicht te herstellen maar wil een nieuw evenwicht totstandbrengen, met het vasthouden aan een aantal basiswaarden zoals die zijn vastgelegd in onze Grondwet.

Een grote gevoeligheid voor het belang
van tolerantie heeft geleid
tot het verwijt van onverschilligheid

De situatie ligt anders in de Verenigde Staten en ik kan mij zeker niet vinden in alle punten van het programma van George W. Bush, maar een alinea van zijn inaugurale rede sprak mij erg aan: 'America has never been united by blood, birth or soil. We are bound by ideals that move us beyond our backgrounds. (..) Every child must learn these principles. Every citizen must uphold them. And every immigrant, by embracing these ideals, makes our country more, not less, American.'
In de feodale, absolutistische of totalitaire staat woonden onderdanen. Hun sociale en geografische plaats werd bepaald door de machthebbers. In een vrije en democratische wereld wordt onze vrijheid slechts beperkt door de vrijheid van anderen. De wederzijdse acceptatie, het geven en nemen, is wat wij onder beschaving verstaan. Het integratieproces is een proces van intermenselijke interactie. Wij moeten er dus in de eerste plaats voor zorgen dat we elkaar verstaan. En daar waar de vrijheid van de een door de ander als onvrijheid, als last of erger: als onveiligheid wordt ervaren, moet de gemeenschap - burgers en overheid - oplossingen aandragen en waar nodig grenzen stellen en handhaven.
Wanneer daar frictie bestaat - en dat dit het geval is, wordt door niemand betwijfeld - mag en moet de burger de overheid en de overheid de burger, dus zeker ook de allochtone burger, aanspreken.

'Wij' en 'zij'
Dat daarbij in een verkeerde - of misschien: niet meer passende - traditie van gedogen soms fouten worden gemaakt, valt niet te ontkennen. Evenmin als het gegeven dat een grote gevoeligheid voor het belang van tolerantie soms heeft geleid tot het verwijt van onverschilligheid. Maar om dat nu om te laten slaan tot grove generalisaties over allochtonen is volstrekt ongepast.
Vink noemt een verkrachting in Delft waarbij zes Afrikaanse verdachten betrokken waren. Elke verkrachting is verschrikkelijk. Wil Vink suggereren dat een verkrachting door Afrikanen nog erger is? Is een moord door een allochtoon op een Nederlands meisje erger dan de uitingen van zinloos geweld door autochtone daders? Wordt - in het algemeen - het gevoel van onveiligheid teweeg gebracht omdat er geweld wordt gepleegd, of omdat allochtonen geweld plegen? Ziet Vink liever een groep blanke hooligans door zijn treincoupé trekken dan die arabische jongens?
Vink vermoedt bij allochtonen de afwezigheid van respect voor 'ons' en probeert dat zijn dochter ook aan te praten. Over onveiligheid, zinloos geweld, normverval en het gebrek aan integratie van sommige nieuwkomers maken wij ons allen zorgen en pogen daar naar beste weten wat aan te doen. De scheiding tussen 'wij' en 'zij' die Vink daarin injecteert maakt die poging een stuk moeilijker.

TERUG NAAR HET BEGIN




Het algemene geweld en de bijzondere vreemdeling


Vink is zo eerlijk om ten minste theoretisch te weten dat de burgeroorlog altijd woedt, maar hij realiseerde het zich pas toen de allochtonen kwamen. Zijn zij dus de vijand?

DOOR MACHIEL KARSKENS

'We dachten dat het vrede was. Maar het is oorlog.'
Jaffe Vink schrijft indringend over de moleculaire burgeroorlog - een term van Enzensberger, waarschijnlijk ontleend aan Deleuze/Guattari's Mille Plateaux. Deze burgeroorlog is de pendant van Michel Foucaults microfysica van de macht. Macht en de weerstand daartegen zijn inderdaad overal en altijd werkzaam. Ze leren ons dat het goede nooit definitief is. Samen zijn ze de achterkant van de medaille die ons meestal zijn geruststellende voorkant toont van geregelde orde en rust, van publiek belang gediend door een goedbedoelende overheid en van democratie, waarin wel veel geredetwist mag worden, maar geweld taboe is.
Toch ligt geweld altijd op de loer, daar heeft Vink gelijk in. Want samenleven in de publieke en privé-sfeer draait om niet-geweld, en dus om geweld; om het beteugelen en dreigen met geweld van de politie, om vermijden van geweld door de brave burger, om sublimeren van geweld in creativiteit en concurrentie. Maar ook om loochenen van geweld, de alledaagse sussende geweldsvermijding, het wegkijken van ellende en agressie en de angst en frustratie die dat oproept. Van dit laatste heeft Vink terecht genoeg. Er moeten verhalen over geweld verteld mogen worden zonder de verstikkende politiek correcte en relativerende normalisering die zegt dat het allemaal wel meevalt.
Het bestaan van geweld kan alleen maar verborgen blijven voor iemand die naïef de democratische moraal voor de enig bestaande houdt. Maar zelfs kinderen van zeven, die gruwelijke sprookjes lezen en bang zijn voor enge beesten onder hun bed, doen dat niet echt, laat staan een meid van zeventien, zoals Vinks dochter. Hoe kon Vink zo naïef zijn om ooit te menen dat het vrede is?

Met onze beschavingsmacht proberen wij ze te disciplineren - 'integratie met behoud van eigenheid' heet dat nu

'Midden in de moleculaire burgeroorlog zijn de allochtonen gekomen'. Vink dacht dat het vrede was omdat hij net zoals ik (ik ben van 1945) verwend is door onze na-oorlogse democratische moraal en vredecultuur, die het kwaad en geweld met het nazisme identificeerde en ze met dat nazisme voorgoed verslagen leek te hebben. Natuurlijk weten we van geweld - ergens anders. Natuurlijk hebben we onze angsten en frustraties - maar dat is psychologie.
Vink is zo eerlijk om ten minste theoretisch te weten dat de burgeroorlog altijd woedt, maar hij realiseerde het zich pas toen de allochtonen kwamen. Zijn zij dus de vijand? Vink wil wel generaliseren, omdat hij ten onrechte denkt dan de hegeliaans dialectiek van het bijzondere tot het algemene te voltrekken, maar hij weet dat hij dát niet mag zeggen. Niet alleen omdat hij uiteindelijk toch politiek correct moet blijven, maar vooral omdat hij dan de moleculaire burgeroorlog, waarin iedereen en niemand vijand en vriend kan zijn, toch weer zou ontkennen. Dan zou er een molaire oorlog uitbreken met een echte buiten-vijand, een concreet algemene vreemde waartegenover wij onze concreet algemene politieke eenheid met geweld zouden kunnen inzetten. Maar zijn immigranten vijanden? Of zijn het bijzondere anderen, die zich in plukjes en groepjes in de gaten en spleten van onze economie en cultuur nestelen. Immigranten zijn gelukzoekers, maar als verontrustende vreemden natuurlijk ook rustverstoorders en cultuurveranderaars. Met de microfysica van onze beschavingsmacht proberen wij ze te disciplineren - 'integratie met behoud van eigenheid' heet dat nu. En zij voeren hun verzetsoorlog daartegen, een burgeroorlog in het klein met alle geweld van dien, waarin onze niet-geweldcultuur een makkelijke prooi lijkt.
De vraag is niet hoeveel immigranten willen we, alsof wij daarin iets te willen hebben. En evenmin waar het maximum aantal ligt dat onze instituties nog aankunnen zonder beslissend te veranderen, zoals Vink beweert. Kwantitatieve fixaties helpen hier niet, zo heeft Hegel ons geleerd. Instituties veranderen, omdat zij de inzet zijn van die microfysica van de macht én van het moleculaire verzet daartegen. De vraag is waar (cultuur)verandering omslaat in (cultuur)vernietiging? Dat is de geweldsvraag. Vink heeft groot gelijk wanneer hij het verdoezelen van de multiculturele strijd aan de kaak stelt. Maar wanneer hij denkt dat die omslag van verandering in vernietiging rationeel vastgesteld en dus voorkomen zou kunnen worden, dan vergeet hij dat samenleven een permanente strijd is waarin maar weinig vaststaat.

Machiel Karskens is hoogleraar politieke filosofie aan de universiteit van Nijmegen.

TERUG NAAR HET BEGIN




Brief aan de dochter van Jaffe Vink



DOOR MOHAMED RABBAE

Ik ken je voornaam helaas niet, maar ik wil je graag tutoyeren om geen formele afstand te creëren. Ik hoop dat je het niet erg vindt. Toevallig heb ik ook een dochter van je leeftijd en mede daarom voel ik me door de brief van je vader aan jou extra geraakt. In het bijzonder door zijn sombere kijk op de multiculturele samenleving. Als je zijn pessimistische brief leest dan is er maar één conclusie mogelijk, namelijk remigreren. Zo erg is het gesteld met de Nederlandse samenleving tegenwoordig. Een samenleving waarin geweld, seks en vooral het verdoezelen van de waarheid over allochtonen hoogtij vieren. Is dat het beeld dat wij onze jeugd moeten voorhouden? Heeft je vader dan gelijk, vraag ik me af? Voor een deel wel. 'De Marokkaanse jongeren' en - sinds kort – de 'Antilliaanse jongeren' domineren al een hele tijd de eerste pagina's van de Telegraaf en andere kranten als 'criminelen'. De oude man in de treincoupé herken ik ook. Ook de weigering dan wel aarzeling door een enkele onderzoeker of instantie om criminaliteitscijfers over allochtonen te publiceren uit vrees voor criminalisering dan wel uit angst om voor racist uitgemaakt te worden, komt me bekend voor. De door je vader - in een ander gedeelte - aangehaalde en onaanvaardbare racistische uitlatingen over joden en de discriminerende houding tegenover homoseksuele leraren, bestaan helaas ook.

De politiesterkte is gekoppeld aan de verdeling van
de allochtonenpopulatie over het land!
Over criminalisering gesproken

Voor de rest is je vader behoorlijk selectief in zijn omgang met de feiten. Hij vindt dat wij in Nederland snel geneigd zijn om de bittere waarheid over de allochtonen te camoufleren. Is dit verwijt juist? Zoals je weet: Nederland is het onderzoeksland bij uitstek. Sinds hun bestaan in Nederland zijn de allochtonen van alle kanten onderzocht, 'letterlijk blootgelegd' zoals een lid van deze gemeenschap een keer zuchtte. Zo weten wij precies hoeveel nationaliteiten er zijn, het aantal mannen, vrouwen en kinderen; het aantal werkenden, werklozen en WAO'ers, de hoogte van hun inkomens en uitkeringen, hun voedingspatronen, hun vruchtbaarheidscijfers, de perinatale, zuigelingen- en peutersterfte, het aantal jeugdigen en volwassenen in detentie, etc., etc., etc.. Zelfs hun aandeel in de criminaliteit – het onderwerp dat je vader in het bijzonder interesseert – is sinds enkele jaren van verschillende kanten belicht in het onderzoek en in de media. Zodanig zelfs dat de verdeling door de regering van de politiesterkte over Nederland, gekoppeld is aan de verdeling van de allochtonenpopulatie over het land! Over criminalisering gesproken! Wist je dat?
In zijn bitterheid over de allochtonen wil je vader zelfs zover gaan om te suggereren dat allochtonen een natuurlijke aanleg hebben voor criminaliteit. Welnu, niemand wordt crimineel geboren. Het zijn de omstandigheden waarin mensen leven die maken dat de éne zich normaal ontwikkelt, terwijl de andere ontspoort. De migratie van het éne land naar het andere is een soort ontworteling. Net als boom heeft de migrant de juiste omstandigheden nodig om, op een andere grond, nieuwe en sterke wortels te kunnen schieten. Lukt het niet, dan is het (voort)bestaan zorgelijk. Elke wind kan je dan meenemen. Ook de wind van drugs en de criminaliteit. En deze wind is des te sterker en aantrekkelijker naarmate je ziet dat anderen snel rijker worden terwijl je geen toekomstperspectief hebt. Wat je vader echter bewust weigert te erkennen – want hij generaliseert graag – is dat de meerderheid (90 procent) van de allochtone jongeren weerstand biedt aan de dreigende storm van sociale ontsporing. Uit deze meerderheid komen steeds meer talenten voort: ingenieurs, advocaten, rechters, artsen, wetenschappers, politici, journalisten, schrijvers, kunstenaars, artiesten, topsporters, ondernemers, economen, notarissen, modeontwerpers, Miss Holland, etc., etc.. Tegenover de moleculaire oorlog van je vader wil ik je graag attenderen op de stille culturele en maatschappelijke revolutie die allochtone jeugd – en de meiden in het bijzonder – aan het doormaken zijn in Nederland. En dat allemaal binnen één generatie, terwijl hun ouders over het algemeen laag geschoold zijn. Alleen, de oude man van het coupé ziet ze niet, want ze vallen niemand aan. Ze zijn voor de media ook niet interessant, want ze zijn geen slecht nieuws. Het zal me niet verbazen als zou blijken dat je vader – zo niet daaraan medeplichtig – op z´n minst slachtoffer is van deze journalistieke 'wet'.
In tegenstelling tot je vader zul je meer kansen hebben om deze talenten te ontmoeten: op school, aan de universiteit of hogeschool, later op het werk of gewoon in de stad. En dan hoop ik dat jullie samen vorm en kleur zullen geven aan een harmonieuze samenleving. Dank zij jou hoop ik dat je vader zijn blinde bitterheid kwijtraakt. Menig ouder is scherp gebleven door zijn kind!

Mohamed Rabbae, Tweede-Kamerlid voor GroenLinks

  • Terug naar het begin
  • Reacties van lezers


    Gerelateerde artikelen




  • Login

    Zoek