Filosofe Karin de Boer over de Griekse schuldencrisis
maandag 7 november 2011Hegel, niet Marx, moeten we lezen om de Griekse en Europese crisis te begrijpen. Dat zegt de Nederlandse filosofe Karin de Boer, hoogleraar in de geschiedenis van de moderne filosofie te Leuven. Voor Filosofie Magazine geeft ze de hoofdlijnen weer van haar recente lezing aan Cornell University, getiteld ‘
A Greek Tragedy? A Hegelian Perspective on Greece’s Sovereign Debt Crisis’.
De crisis heeft iets van een tragedie. Wie het nieuws volgt, krijgt het gevoel dat de opeenvolgende gebeurtenissen onafwendbaar zijn, en dat de euro die Griekenland in ieder geval schijnbare welvaart opleverde het land nu aan de rand van de afgrond brengt. Bijna iedereen keek een andere kant op toen duidelijk was dat Griekenland tien jaar geleden niet voldeed aan de eisen voor toetreding – en nu is iedereen gedwongen om de bittere waarheid onder ogen te zien. Zo moest ook Oedipus aan het eind van Sophocles’ tragedie erkennen dat hijzelf de oorzaak was van de plaag waaronder Thebes gebukt ging. Wij zijn het – wij Europeanen – die omwille van meer eenheid, maar vooral omwille van meer welvaart, meenden dat de risico’s die de euro met zich meebracht niet opwogen tegen de kansen die ze bood.
Marx versus Hegel
Hoe zou je de Griekse en Europese crisis vanuit filosofisch oogpunt kunnen benaderen? In mijn ogen is het te simpel om alle ellende aan het kapitalisme te wijten, zoals je met behulp van Marx zou kunnen doen. Met Marx kun je begrijpen waarom een kapitalistische economie leidt tot een steeds grotere kloof tussen arm en rijk, en ook waarom gevestigde politieke systemen geneigd zijn om de belangen van de rijke elite te verdedigen. Maar je kunt vanuit Marx niet goed begrijpen waarom een strikte scheiding tussen economie en politiek van levensbelang zou zijn voor het goed functioneren van een moderne staat. Daarvoor kunnen we volgens mij beter te rade gaan bij Hegel. Toen Hegel in 1821 zijn
Philosopie des Rechts publiceerde, was al duidelijk dat het kapitalisme in Engeland en Schotland desastreuze gevolgen had voor de samenleving. Hegel zag in dat de ontwikkeling van een kapitalistische economie in Europa onafwendbaar was. Daarom legt hij in zijn boek zoveel nadruk op het belang van een politiek domein dat onafhankelijk is van het domein waarbinnen burgers en bedrijven hun eigen belangen nastreven. Dit tweede domein noemde hij de burgerlijke maatschappij. Voor zover mensen deel uitmaken van de burgerlijke maatschappij hebben ze de vrijheid om te doen wat ze willen zolang ze de wet niet overtreden. In dat opzicht gaat Hegel dus mee met het liberale idee van een vrije markt. Maar hij meende ook dat die vrije markt de samenleving per definitie dreigde te ontwrichten. Een moderne maatschappij kan volgens hem alleen goed functioneren wanneer de markt in toom wordt gehouden door sterke politieke instituties en uiteindelijk door een sterke staat.
Vrijheid, maar dan totaal anders
Natuurlijk kunnen we niet terug naar Hegels opvatting dat alleen een constitutionele monarchie – zonder representatieve democratie – de markt in goede banen kan leiden. Maar hij had denk ik gelijk met zijn idee dat de moderne wereld vraagt om politieke instituties die volledig onafhankelijk opereren van de markt en, meer in het algemeen, van het onmiddellijke eigenbelang van burgers en groeperingen. De staat zou dus een totaal andere vorm van vrijheid moeten vertegenwoordigen dan de vrijheid om te doen en te laten wat je wilt. Griekenland is een goed voorbeeld van een land waar de politiek niet in staat is om haar vrijheid te bewaren ten opzichte van burgers die hun eigenbelang vooropstellen (een baan bij de staat, weinig belastingen, vroege pensioenen, gemakkelijke leningen). De verwevenheid van burgerlijke maatschappij en politiek die we zien in Griekenland geldt in mindere mate ook voor andere landen – denk aan Amerika.
Zo bezien is de eurocrisis niet zozeer een financiële als wel een politieke crisis. De vraag die deze crisis bij mij vooral oproept, is de vraag: zijn onze democratieën nog wel opgewassen tegen de enorme kracht van wereldwijd opererende financiële instellingen? Zijn ze wel wendbaar genoeg om de nietsontziende markten in toom te houden? Hebben ze niet hun vrijheid – of de vrijheid die hen nog restte – verkwanseld door de banken te dereguleren, in de hoop dat iedereen daar beter van zou worden? Regeringen zijn nu gedwongen om diezelfde banken te redden, met als gevolg enorme publieke schulden. Wat we zien is dat Europa, als reactie hierop, gedwongen is om meer en meer politieke beslissingen over te laten aan technocraten van financiële instellingen zoals het EFSF en de ECB. Het lijkt wel alsof Europa zich in een richting beweegt waarbij democratische besluitvorming een steeds kleinere rol speelt – zonder dat de Europese leiders dat zouden willen toegeven. Daarom valt hun reactie op Papandreou’s aankondiging een referendum te houden goed te begrijpen. Hij maakte pijnlijk zichtbaar dat er een tegenspraak is tussen het ideaal van democratische besluitvorming en de feitelijke praktijk. We kunnen de toekomst van Europa toch zeker niet overlaten aan een toevallige meerderheid van Griekse kiezers, die bovendien nog gemanipuleerd worden door politici die uit zijn op de val van de tegenpartij?
Europa gaat op China lijken
Het referendum is weer van de baan. Europa –
too big to fail – begint qua politieke besluitvorming meer en meer op China te lijken. Ik zeg niet dat dat een positieve ontwikkeling is. Gemeten aan de waarden waaraan we eeuwenlang onze identiteit hebben ontleend, is dat zeker niet het geval. Maar misschien is het wel een onafwendbare ontwikkeling. De Europese crisis heeft tragische proporties aangenomen. De onbetwiste heldin van deze tragedie – de democratie – zal op een gegeven moment de gevolgen van haar eigen handelingen onder ogen moet zien.
Karin de Boer