Waardenonderzoek 2007
Door: Bart Brandsma FM nr. 10/2007
Welke waarde is volgens u de belangrijkste om goed met elkaar samen te kunnen leven in Nederland? Filosofie Magazine gaf opdracht voor een representatieve steekproef om het waardebesef van de Nederlander te leren kennen. Welke waarden wegen het zwaarst, maar ook wat verstaan we eronder? Veiligheid en fatsoen zijn de onbetwiste winnaars, terwijl vaderlandsliefde het gemoed van de Nederlander splijt.
Discussies over normen en waarden zijn vaag, is een veelgehoorde klacht. Want wat verstaan we eronder? Solidariteit gaat voor de een veel verder dan voor de ander. Een waarde als zelfbeschikking wordt liberaal of juist meer socialistisch opgevat. Fatsoen is in de ogen van een behoudend fatsoensrakker iets heel anders dan in die van een activistische 'anders-globalist'. Over de definities van waarden zijn we het nooit eens, laat staan dat we een publieke discussie over de afweging van die waarden tot een goed einde zouden kunnen brengen. Dat willen we wel, in Nederland, maar zonder gemeenschappelijke vertrekpunten blijft het inderdaad vaag. Daarom - zo 'brainstormde' de redactie van Filosofie Magazine - moeten we weten wat 'de Nederlander' nu eigenlijk zelf verstaat onder de belangrijkste waarden.
Welke prioriteiten stelt hij en hoe luiden zijn definities? Met onze meting van het vaderlandse moreel besef kunnen we de onomstreden, maar ook de meest omstreden waarden traceren. Welke waarde is volgens de Nederlander de belangrijkste om goed met elkaar samen te leven? Onomstreden op de eerste plaats van de top-10 staat veiligheid. Bijna 40 procent zet deze op de eerste, tweede of derde plaats. Een opvallende winnaar in het rijtje omdat het een 'negatief' begrip is. De waarde wordt 'zichtbaar' als hij er niet is. Als het veilig is, gaat alles ongemerkt zijn gangetje. Alleen bij incidenten wordt pijnlijk duidelijk dat veiligheid ontbreekt. De enorme waardering van veiligheid in deze peiling duidt misschien vooral op het gevoelde ontbreken ervan. Fatsoen, op de tweede plaats, is wat meer omstreden. 35,6 procent kiest ervoor deze waarde op de eerste, tweede of derde plaats te zetten. Toch ziet ruim een kwart (25,9 procent) daar niet zoveel in, en zet fatsoen op een van de laagste drie plaatsen. Over veiligheid zijn we het dus eens, over fatsoen niet.
In absolute getallen en gewogen gemiddelden eindigen veiligheid en fatsoen op de plaatsen 1 en 2. Met deze score selecteert de Nederlander feilloos twee 'gevoelswaarden'. Het valt op dat veiligheid en fatsoen de waarden 'verslaan' die in de geschiedenis van de politieke filosofie een veel grotere rol spelen. Het lijkt of de burger bescherming wil tegen een 'gewetenloze' buitenwereld, en fatsoen ziet als het smeermiddel dat de omgang met die buitenwereld moet regelen. We hebben toch echt gevraagd naar waarden die volgens de ondervraagde belangrijk zijn 'om goed met elkaar samen te leven', en hebben niet gevraagd: wat vindt u voor uzelf een belangrijk waarde?
Veiligheid en fatsoen blijken de meest gewilde én meest eenduidige waarden. We weten wat we ermee bedoelen. Veiligheid vatten we op als 'een gevoel van geborgenheid en bescherming' (63,1 procent), wat iets anders is dan de traditioneel filosofische opvatting (Hobbes en Stuart Mill) 'veiligheid is beschermd zijn tegen de ander in de samenleving' (12,7 procent). Een kleine kwart eist nog iets meer, en definieert veiligheid als 'de afwezigheid van risico's en gevaren' (24,1 procent). Hoe jonger de Nederlander, hoe groter de aanhang voor deze laatste definitie. Ouderen kiezen relatief vaker voor 'geborgenheid en bescherming'.
Ook fatsoen is helder omschreven als 'netjes met elkaar omgaan, en je goed gedragen in het openbaar' (61,6 procent). Een door ons voorgestelde uitbreiding van de definitie naar 'niet alleen privé, maar ook in het publiek debat een beschaafde houding aannemen' krijgt slechts steun van 23,8 procent, terwijl een nog kleinere groep
(14,6 procent) kiest voor 'paal en perk stellen aan de uitverkoop van de beschaving, door bijvoorbeeld opvoedkampen, maatregelen tegen seksualisering van de openbare ruimte of de graaicultuur in het bedrijfsleven'. Daarover gaan wel de debatten in de krantenkolommen en op televisie, maar de Nederlander vindt dat uiteindelijk minder belangrijk. Die heeft een gematigder fatsoen voor ogen.
Dat drukt zich ook uit in de definities die mensen zelf bedachten. Veiligheid werd gedefinieerd als: 'Dat je durft uit te gaan, zonder te denken: als er maar niets gebeurt', 'Niet angstig hoeven te zijn als mijn dochter ergens naar toe wil' of 'Dat mijn hondje niet als schietschijf wordt gebruikt'. Bij fatsoen denken de ondervraagden aan: 'Niet voordringen, opstaan voor ouderen, respect voor alles wat leeft'. En passant wordt door een geënquêteerde gewezen op de oorzaak van alle angst op straat: 'Er is veel non-verbale intimidatie, waardoor je niet meer veilig de straat op kunt.' Een ander draagt een oplossing aan, en maakt al even en passant dit hele onderzoek overbodig: 'Wanneer je je fatsoenlijk gedraagt, dan hoeven de andere waarden niet benoemd te worden, want die vloeien er vanzelf uit voort.' Consequent zette deze persoon fatsoen bovenaan de lijst van waarden.
Liefde voor het vaderland 'Vaderlandsliefde' is een heel ander lot beschoren. Hoe vergaat het deze veel bezongen deugd? Deze eindigt onderaan, maar was in absolute aantallen bijna als winnaar uit de bus gekomen. Een relatief kleine groep
(14,3 procent) blijkt deze waarde absolute prioriteit te geven, terwijl meer dan de helft van de ondervraagden
(53,6 procent) liefde voor het vaderland op een van de vier laagste plaatsen zet; 28,9 procent verwijst deze waarde zelfs naar de tiende plaats. Deze uitslag maakt vaderlandsliefde tot de meest omstreden waarde van dit onderzoek, wellicht zelfs tot splijtzwam van ons gemoed. Het scoort of hoog of laag. Alles of niets. Maar wat betekent dat? Gaat het hier om nationalisme, is het patriottisme? Slechts 10,5 procent ziet vaderlandsliefde nog als 'de bereidheid om offers te brengen voor het vaderland, als het moet: de dood.' Die eer laten we dus massaal aan ons voorbij gaan. Een moderne variant wint het van de klassieke. Vaderlandsliefde omschrijven mensen als 'een gevoel van trots op de cultuur en historische prestaties van Nederland'. 'Trots op Nederland' - de gewiekste slogan van Rita Verdonk - spreekt een minderheid zeer aan, maar gevraagd naar de bindende waarde ervan, oordeelt een ruime meerderheid zeer negatief over dit type vaderlandsliefde.
De Nederlander maakt zich grote zorgen over onze waarden. Gevraagd naar de ontwikkeling van waarden in Nederland in het afgelopen jaar oordeelt 30,4 procent dat deze 'zijn achteruitgegaan', 16,2 procent meent zelfs 'sterk achteruitgegaan' en 17,1 procent constateert 'een kleine beetje achteruitgang'. Bij elkaar is dus 63,7 procent negatief; slechts 12,7 procent is positief gestemd ( 8,7 procent: 'een beetje vooruitgegaan', 3,2 procent: 'vooruitgegaan' en 0,8 procent: 'sterk vooruitgegaan'). De overigen zien geen vooruitgang, maar ook geen achteruitgang of behoren tot de bekende categorie 'weet het niet'. Hoger geschoolden zijn net wat positiever over de ontwikkelingen dan lager geschoolden, en de vrouwelijke Nederlander blijkt wat somberder op dit punt dan de mannelijke.
Hoe schalen Nederlanders de andere waarden in? Gelijkwaardigheid staat op de derde plaats gevolgd door de middenmoters vrije meningsuiting, tolerantie, solidariteit en zelfbeschikking. Maar 8 procent zet gelijkwaardigheid echt op de eerste plaats, maar dat wordt meteen goed gemaakt doordat liefst 37,1 procent die haar een tweede, derde en vierde plaats toekennen. Dan gaat het om de klassieke opvatting: 'In gelijke gevallen gelijke behandeling, ongeacht ras, geslacht, godsdienst of politieke gezindheid' (62,9 procent). Slechts een kleine minderheid
(9,5 procent) kiest voor een andere definitie, waarbij de identiteit van iemand bescherming verdient, 'ook al strookt die niet met de moraal van de meerderheid' of een definitie waarbij - klassiek socialistisch - de gelijkwaardigheid gestalte moet krijgen door 'iedereen kansen en middelen te bieden om als volwaardig burger mee te tellen' (27,6 procent)
Vrije meningsuiting resulteert in een definitie die media en politiek te denken moet geven. Slechts 12,2 procent verstaat daaronder 'het recht alles te zeggen, ook al is dit beledigend'. De aloude opvatting 'het recht een mening te koesteren en te uiten, ook als die ingaat tegen de overheid' krijgt 46,2 procent. Maar het opvallendst is de brede steun voor een andere definitie van vrije meningsuiting: 'naar elkaar luisteren, om daarmee alle meningen voldoende recht te doen'. De Nederlander is het polariseren misschien eindelijk beu. Die conclusie lijkt gerechtvaardigd te worden door de definities van tolerantie en solidariteit; goede middenmoters. Voor een minderheid staan ze op nummer 1, maar ongeveer 30 procent zet deze op de plaatsen 2 tot en met 4. Tolerantie is voor 41,4 procent 'leven en laten leven, zonder elkaar in de weg te zitten'. Liefst 50,4 procent kiest voor de definitie 'ruimte geven aan de eigenheid van de ander, mits dit niet botst met het algemeen belang.' Slechts 8,2 procent
(!) zegt dat tolerantie overeenkomt met 'het vermogen om beledigingen te kunnen incasseren'. De Nederlander is polariseringsmoe, concluderen we. Zo is solidariteit 'bijdragen aan het welzijn van alle Nederlanders (46,8 procent) en niet: 'bijdragen aan het welzijn van mensen uit eigen kring, familie of religie (19,2 procent).
Op de nummers 7, 8 en 9 staan drie sympathieke stiefkindjes van het publiek debat. Op 7 zelfbeschikking, een ouderwetse term die voor de individualistische Nederlander toch hoger had kunnen scoren. Zelfbeschikking is wel belangrijk, maar sociale waarden prevaleren. Respect voor dier en natuur
(op 8), scoort niet hoog en niet laag; iedereen is bereid om deze waarde een plaats te gunnen, maar dan wel in de middenmoot, terwijl de nummer 9, 'religieuze vrijheid' juist óf hoog óf laag scoort. Een groep van 11,8 procent zet de waarde zelfs op nummer 1, terwijl exact 50 procent deze waarde op de plaatsen 7 tot en met 10 zet. 'Respect voor dier en natuur' en 'religieuze vrijheid' scoren dus bijna even hoog, maar de redenen daarvoor verschillen. Respect voor dier en natuur is geen omstreden waarde, en doet het daarom niet zo goed in de peiling. Een enkeling komt spontaan met een felle definitie: 'Dat je met je poten van dieren afblijft, dat er meer geld in de biologische boerderij wordt gestopt, dat de mens niet boven de dieren wordt geplaatst en dat de natuur niet ondergeschikt is aan economische belangen.' Religieuze vrijheid is juist wel een omstreden waarde, maar gooit daardoor gemiddeld ook geen hoge ogen. Datzelfde geldt voor de hekkensluiter: vaderlandsliefde.
De Nederlander mag dan negatief gestemd over de ontwikkeling van het waardebesef, hij denkt ook dat hij er zelf bitter weinig aan kan doen. We vroegen naar de instanties of personen die hun verantwoordelijkheid zouden moeten nemen: het gezin, de burger, politie, media, lokale of landelijke overheid, maatschappelijke of levensbeschouwelijke organisaties, de handhavende of de rechterlijke macht? Alleen voor de waarden fatsoen en tolerantie ziet de Nederlandse burger een rol voor zichzelf; voor fatsoen moet het gezin het voortouw nemen. Maar voor de bevordering van alle andere waarden is het de landelijke overheid die het moet doen. Deze attitude wordt al door generaties politici bekritiseerd; politiek en landelijke overheid wijzen juist graag op de rol van het burgerinitiatief en 'het maatschappelijk middenveld'. Het meest opvallend is dat de Nederlander juist daarvan geen heil verwacht. Van maatschappelijke organisaties, maar ook van de rechterlijke macht en lokale overheden verwacht de Nederlander niet veel, omdat hun rol beperkt is. Het is vooral de staat die het moet doen. De politie mag als verlengstuk van de overheid een rol spelen als het gaat om veiligheid, en voor religieuze vrijheid mogen ook levensbeschouwelijke organisaties als moskee en kerk zich meer roeren, maar het grote heil verwacht de Nederlander uit de hofstad. Den Haag, wat is daarop uw antwoord?